Bij wijn denken veel mensen al snel aan Frankrijk. Begrijpelijk, want dit is één van de bekendste en grootste wijnlanden ter wereld. Toch hoort Italië ook in dit rijtje thuis, want dit land produceert jaarlijks zo’n 50 miljoen hectoliter wijn. Italiaanse wijnen zijn geliefd. Zeker in het land zelf, maar ook ver daarbuiten. Maar wat maakt Italiaanse wijn nu zo bijzonder? Je ontdekt het in deze tekst.
Groot aantal lokale druivenrassen
Franse wijnen worden vooral gemaakt van bekende druivenrassen. Cabernet Sauvignon, Merlot, Syrah, Pinot Noir, Chardonnay, Sauvignon Blanc en Viognier zijn hier voorbeelden van. Italië heeft ook een aantal bekende druivenrassen, maar toch moeten ze het in dit land vooral hebben van de lokale druivenrassen.
Verspreid over het land zijn er meer dan 350 officieel erkende inheemse rassen. Nebbiolo, Nero d’Avola en Sangiovese zijn hier slechts een paar voorbeelden van. Veel druivenrassen hebben daarnaast ‘afstammelingen’. Neem bijvoorbeeld Sangiovese Grosso, de druif waar Brunello di Montalcino van gemaakt wordt. Doordat de lokale druiven in verschillende streken groeien, hebben ze allemaal hun eigen karakter. Dit resulteert in unieke smaken die je nergens anders ter wereld tegenkomt.
Eeuwenoude tradities
Wijn en Italië zijn als twee handen op één buik. In de Romeinse tijd vond je op zo’n beetje elke heuvel in het land al wijnranken. Niet gek dat de Romeinen Italië ook wel ‘het land van de wijn’ noemden. Sindsdien is de traditie van het maken van wijn van generatie op generatie overgegaan. Veel Italiaanse wijnhuizen zijn hierdoor familiebedrijven. Recepten en technieken gaan over van (groot)ouders op kinderen, waardoor wijnen trouw blijven aan hun oorsprong. Toch worden er steeds vaker nieuwe technieken gebruikt, zodat ze met de tijd meegaan.
Grote variatie per streek
Italiaanse wijnen zijn ontzettend veelzijdig. Dit komt vooral door het verschil in klimaat tussen de regio’s. Het noorden kent koele nachten en frisse bergwinden. Hier komen vooral wijnen met veel zuren vandaan. In het midden van Italië heerst een gematigd klimaat met zonnige dagen en een verkoelend zeebriesje. De druiven rijpen goed, waardoor wijnen zachte, ronde smaken hebben. Tot slot het zuiden. Door de vele zonuren en droge lucht komen hier voornamelijk volle, kruidige wijnen met intense smaken vandaan.
Goed te combineren met eten
Italianen geloven dat wijn de smaken van het eten versterkt. Ze drinken het dan ook niet naast het eten, maar zien het echt als onderdeel van de maaltijd. De wijn mag het gerecht alleen niet overheersten, maar moet deze aanvullen. Door de grote diversiteit in wijnen is er bij elk gerecht een passende Italiaanse wijn te vinden. Zo smaakt een Chianti bijvoorbeeld goed bij pasta met tomatensaus, terwijl Amarone wijn heerlijk is in combinatie met gorgonzola.
Meer dan een glas wijn
In Italië is wijn veel meer dan een drankje. Italianen zien het echt als een beleving. Het wordt vaak gedronken in gezelschap van familie en vrienden, onder het genot van lekker eten en goede verhalen. Het staat hier echt symbool voor levensvreugde en verbondenheid. Met een Italiaanse wijn kun je dit gevoel thuis ook oproepen.










